Concilium 2000/4

Licht gelovig.
De onbevangen kant van het geloof

Inleiding

Ellen van Wolde

Ook al moeten we erkennen dat de situatie van armoede en marginalisering slechter is dan ooit, toch kan en moet er meer aandacht worden besteed aan de sporen van genade. Dit nummer van Concilium concentreert zich op deze ’lichtzijde van het leven’. In de jaren zeventig en tachtig waren de theologie en de religieuze praktijk over de hele wereld sterk georiënteerd op Exodus, en werd in de bevrijdingstheologie, in de feministische en de ideologisch-kritische theologie grote nadruk gelegd op de bevrijding uit de onderdrukking. Vanaf de jaren negentig nam de belangstelling voor het boek Genesis toe. Dit hangt nauw samen met een groeiend respect voor natuur en milieu, voor aarde en kosmos, en de ontwikkeling van een andere visie op de rol van de mens in dit complexe universum. Het valt samen met een grotere nadruk op ecologie en ecofeminisme, een nieuwe visie op gender en op de aarde, en met een herwaardering van de positieve kanten van religie en geloof. Een bewustzijn van deze positieve aspecten leidt tot een nieuwe afweging tegen de achtergrond van de bedrieglijk vrolijke maskers van het marktdenken. In deze zin maakt de ervaring van genade ons bewust van de onaanvaardbaarheid van veel soorten ongenade. Deze nieuwe horizon van genade tegen de achtergrond van ongenade is het centrale thema in dit nummer van Concilium.

Timothy Radcliffe is de gangmaker van deze aflevering. We hebben gelukkige theologen nodig, zegt hij. Het is hun vreugdevolle taak een bepaalde levensvorm te leven, een antwoord te formuleren op de honger naar zingeving in onze samenleving. En zij worden uitgenodigd de vreugde van de ontmoeting met de Ene die de zin van ons leven is, tot uitdrukking te brengen.

Wanneer exegeten en theologen deze uitdagende en prettige taak op zich nemen, en spreken over de lichtzijde van geloof, vatten zij dit thema gewoonlijk onder de term ’genade’ samen. De geseculariseerde mens heeft er moeite mee deze term in verband te brengen met zijn ervaringen in het alledaagse leven. Daarom krijgen dit thema en deze [6] aflevering van Concilium een meer hedendaags accent, en in alle vier delen van dit nummer staan de genadefacetten van het dagelijks leven, nauw verbonden met ongenade, centraal.

Het eerste deel draagt als opschrift: 'De Aarde-Bijbel', en bevat drie studies over de Hebreeuwse Bijbel die laten zien hoe iedereen een glimp van het bemoedigende gelaat van geloof kan ervaren.

In het scheppingsverhaal uit Genesis, een studie van Van Wolde in het eerste artikel, ligt de nadruk op de centrale rol van de aarde. De mensen worden gedefinieerd en beschreven met betrekking tot de aarde, en worden tegelijkertijd aangewezen om God op aarde tegenwoordig te stellen, een teken te zijn dat, weg van henzelf, naar God verwijst. Deze ideale situatie van schepping erkent zowel de positieve waarde van de mens als de positieve waarde van de aarde en de macro- en microkosmos. Deze situatie blijkt het echter af te leggen tegen de slechte neigingen van de mensen, die de aarde vernietigen, zoals het verhaal over de zondvloed ons vertelt. Deze puinhoop van het leven ontkennen zou rampzalig zijn. De schrijver beoogt aan te tonen dat een vieren van de schepping zich altijd profileert tegen de achtergrond van ongenade, zodat plezier of vreugde geen ontkenning van ongenade inhoudt, maar er aandacht voor vraagt.

In het tweede artikel, van Habel, over het boek Job blijkt de aarde wederom een belangrijke rol te spelen. jobs kosmologie van onderwereld, wereld en hemel en zijn hunkering naar de dood en ontsnapping naar het dodenrijk (sjeol) na al zijn lijden op aarde worden omvergeworpen door Gods rede uit de storm. God maakt duidelijk dat de aarde, deze wereld, en niet die hierboven of hierbeneden, het voornaamste oriëntatiepunt van de mens is. God confronteert Job met zijn plaats in een kosmos van ritmen en paradoxen, van evenwichtige tegenstellingen en beheerste extremen, van een mysterieuze ordening en altijd veranderende patronen, van vrijheid en grenzen, van leven en dood. Job krijgt een beeld van dit alles te zien, en ontwaart een onderling verbonden ecologie van de aarde. God hecht waarde aan de aarde, en nodigt Job (en ons) uit deze volheid van leven op aarde te delen.

Qohelet of het boek Prediker is de derde vertegenwoordiger van de Hebreeuwse Bijbel, gepresenteerd door Schoors. In Qohelets ervaring neemt de absurditeit van het leven een centrale positie in. Het leven leven betekent geploeter en gezwoeg. In ons leven is alles hevel, absurd. Deze absurditeit impliceert dat er geen causaal verband kan worden gevonden tussen gezwoeg en resultaat, en evenmin tussen iemands gedrag en zijn geloof. Prediker stelt een praktische oplossing voor: geniet van de goede dingen van het leven, waardeer de mensen met wie je leeft, geniet van voedsel en wijn. Maar dit betkent niet dat Qohelet een prediker van genot is, zegt Schoors. Genot is geen narcoticum of [7] drug om mensen rustig te houden. Prediker spoort de mensen aan te genieten, want er is geen duurzaam profijt, er valt geen blijvende winst te behalen. Het feit dat je van iets kunt genieten, is jouw deel in het leven. Alsjeblieft, neem dat deel, en waardeer het.

In het tweede deel van deze aflevering van Concilium, ’Eco-feminisme en genade’, wordt deze lijn van de Aarde-Bijbel doorgetrokken.

Ruether brengt in haar artikel onder woorden hoe God hier beneden aanwezig is, en meer dan dat. We kunnen Hem niet vinden op de troon van macht en heerschappij, maar in en door de dingen die het dagelijkse leven dragen. Dit is niet domweg immanentisme in de betekenis van een reductie van het goddelijke tot wat is. God is niet hetzelfde als de mensen, en evenmin een ruimtelijk buitenstaander van alle geschapen dingen, die als een almachtige tiran van boven over hen heerst. Wat feministische theologen proberen wanneer zij de nadruk op de goddelijke immanentie leggen, is een verstaan van God dat holistisch is, dat niet is gemodelleerd naar het voorbeeld van het dualisme, van ziel tegenover lichaam, geest tegenover stof, mannelijk tegenover vrouwelijk. God is de creatieve kracht die werkelijk is: de bron van alle leven in zijn volheid en goedheid. Ruether vermeldt sommige ervaringen van transcendentie in het gewone leven, en laat zien dat deze het in zich hebben heel onverwacht en genadevol van aard te zijn. ’Zij komen over ons van waar wij niet zijn, brengen ons in contact met wat wij werkelijker zijn’. Haar conclusie is duidelijk geformuleerd: ’Ieder ogenblik staat open naar God, open naar nieuwe mogelijkheden om te worden wat wij werkelijk zijn, en waartoe wij geroepen zijn. De uitdaging van de eco-feministische theologie is, in het licht van zowel de aardse geschiedenis als de crises van de zonde van de mens, een visioen van de goddelijke aanwezigheid dat zowel aan de natuurlijke processen ten grondslag ligt, als deze draagt en ons de kracht geeft om te strijden tegen de excessen van de machtigen, én het ons openstellen voor slachtoffers om nieuwe gemeenschappen van onderlinge bloei te stichten, met elkaar te verweven’. Het is inderdaad een vreugde dergelijke inspirerende theologen te lezen.

Gómes Acebo beklemtoont de dans van de schepping en de noodzaak onze visie als heersers van de schepping achter ons te laten. In het bijzonder geldt dat voor hen die tot het rijke deel van de wereld behoren. Niet alleen zouden zij de goederen van de aarde moeten herverdelen, maar zij zouden ook meer respect moeten tonen voor de verscheidenheid van haar bewoners. Dat zou de basis kunnen zijn voor een schepping van interactieve wederzijdse betrekkingen, van productie en voedsel, een schepping zonder eigendom en een aanwas zonder onderdrukking. Zij presenteert het niet louter als een theorie, maar laat ons ook luisteren naar de muziek erachter: het lied van de schepping, [8] de hymne van het uiteindelijke doel moet worden gehoord, om op haar ritme te dansen.

Het laatste artikel van het tweede deel, van Althaus-Reid, analyseert genade tegen de achtergrond van het marktdenken. Zij laat zien hoe termen als verbond of de genadeleer naar het marktmechanisme verwijzen: een contract dat is getekend, sancties die voorgeschreven zijn, een boete die is betaald. Tegen deze genadeleer verzet zij zich, omdat hij is gebouwd op een dualistisch, oppositioneel model, met aan de ene kant Gods hemelse krachten en zijn welwillendheid, en de staat van ongenade van de mensen aan de andere kant. Zij legt de koloniale invloed van het marktmechanisme van de Eerste Wereld bloot, dat de Derde Wereld dwingt tot een verbond van genadigheid, waarin het anders-zijn van de anderen wordt genegeerd. Anders dan deze leer stelt zij werkelijke genade voor als een dialoog, gebaseerd op de aanvaarding van het anders-zijn van de anderen. Genade is solidariteit in pluraliteit, geen geforceerde eenheid.

De beperkte visies van het eurocentrische en het op Amerika gerichte denken over genade worden ook duidelijk in het derde deel van dit nummer van Concilium: ’Wereldwijde visies op genade’. Zoals in de twee vorige besproken artikelen werd beargumenteerd, kan er geen universele typologie worden ontworpen, want maar al te vaak werd de westerse visie opgeëist als de universeel geldende. Hier worden de verschillende gezichten van de uiteenlopende continenten zichtbaar gemaakt, en hier kunnen de lezers ze leren kennen.

Oduyoye laat ons door haar taal en verhalen het perspectief van Afrika voelen. Zij legt ons uit dat de voorvaderen (zowel de biologische voorvaders, als mensen zoals leraren) een belangrijke rol spelen in het vormen van de Afrikaanse identiteit. Door middel van de taal geven zij het in de traditie door. Mythen, volksverhalen en gezegden vormen de identiteit van het volk. Zij geeft ons enkele voorbeelden van het Akanvolk. Haar studie geeft de grote waarde van taal en verhalen aan bij het doorgeven van genade. De positieve kant van geloof blijkt niet iets verticaals, van boven gezonden te zijn, maar overgeleverd in de tijd: van de voorvaderen aan hen die vandaag leven.

In het volgende artikel toont Dietrich het rijk geschakeerde gelaat van de Indiase spiritualiteit. In het dagelijks leven van de verschillende stammen binnen en buiten een kaste, oefent de maatschappij grote invloed uit op hun spiritualiteit en ervaring van genade. De positieve kanten van geloof blijken dus afhankelijk van het dagelijks leven, zijn vreugden en zijn strijd. Waar je ook bent, in de westerse wereld of in de oosterse of zuidelijke delen van de wereld, het specifieke van het leven in de praktijk drukt zijn stempel op de visie op ervaring en genade.

[9] Het vierde en laatste deel, ’Gods genade — goede genade?’, opent met een gedicht van Mary Hunt, in de liturgie gebruikt om het leven te vieren, en sluit met een artikel van Kuschel over de destructieve en bevrijdende macht van lachen. Lachen kan cynisch, dodelijk en vernietigend zijn, maar kan ook uitdrukking van levenslust zijn. Deze dubbelzinnigheid van constructieve en destructieve macht karakteriseert ook de andere twee artikelen van dit deel.

Betto vertrekt van praktijkvoorbeelden in Brazilië, en vervolgt met een schets van een wereld van uitsluiting, kolonialisme en onderdrukking van indianen. In een dergelijke wereld van ongenade laat de God van liefde soms zijn gelaat zien, en biedt Hij onvoorwaardelijke liefde aan, gratis, voor niets.

Tamez geeft in haar artikel aan dat de goden van de markt genade noch mededogen kennen. Zij ontmenselijken de wereld. Precies zoals de goden van de indianen in Mexico eisten dat mensen werden geofferd, eisen ook de goden van de markt dat mensen worden geofferd. Het evangelie van Jezus Christus echter verzet zich tegen deze visie: Jezus gaf zijn leven, offerde zichzelf, om andere mensen te redden. Jammer genoeg is het evangelie van de markt, het evangelie van ongenade, vandaag overheersend.

Aanvankelijk had deze aflevering van Concilium twee redacteuren: Elsa Tamez en Ellen van Wolde. Door familieomstandigheden moest Elsa Tamez het laten afweten. Daarom draagt deze aflevering de naam van slechts één redacteur.

Uit het Enkels vertaald door D. Timmermann


terug naar Concilium / Nederlands of Concilium Hauptseite