Concilium 2000/3
Religie tijdens en na het communisme in Oost-Europa
Inleiding
Oost-Europa heeft traumatische gebeurtenissen achter de rug. Het was een van de belangrijkste theaters van de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens werd het in Teheran (1943) en Jalta (1945) als Jozef door zijn broers (Genesis 37, 28) door Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten verkwanseld; die hebben Oost-Europa aan de Sovjet-Unie verkwanseld. Een halve eeuw lang heeft het onder vreemde overheersing moeten leven. Het opgedrongen communisme tiranniseerde individuen, traditie en volk. Het wilde in het bijzonder godsdienst en kerk vernietigen. De marxistische ideologie zag beide als het summum van het kwaad, in de concrete politiek als de belangrijkste tegenstanders van het totalitaire systeem.
Zo kwamen de christenen onder druk te staan. De kerk raakte haar instituten en bezittingen kwijt. In de meeste landen van de regio heeft men de katholieke kerk van de oosterse ritus (de Grieks-katholieke kerk) verboden of tot een onderdeel van de oosterse orthodoxie verklaard. Op enkele uitzonderingen na werden ook de kloosterorden verboden. Aldus verging het ook de confessionele scholen, de sociale instellingen, de christelijke organisaties en media. Zelfs het uitoefenen van de godsdienst werd strafbaar gesteld; een georganiseerde christelijke opvoeding van de jeugd en het oprichten van religieuze werkgroepen en kleine gemeenschappen heeft men als een samenzwering tegen de staat beoordeeld en veroordeeld. Zo betaalden de christenen van Oost-Europa een hoge tol voor hun overtuiging, en werden ze tientallen jaren systematisch gediscrimineerd. Het aantal martelaren in de engste zin van het woord en de mate waarin de gelovigen werden achtergesteld, hebben de voorbije halve eeuw tot een bijzonder tijdperk van de kerkgeschiedenis gemaakt.
De totalitaire staat werd aanvankelijk volgens ideologische begrippen geconcipieerd, maar heeft zich mettertijd ontwikkeld tot de heerschappij van een partijbureaucratie1. In ieder geval probeerde de communistische alleenheerschappij de maatschappij naar eigen goeddunken, of ook ten eigen nutte, te modelleren. De wil van de eenvoudige mensen, de traditie of de stem van de meerderheid had daarbij niets in te brengen. Hele volken werden proefkonijnen. Als objecten van een vivisectie moesten de kerk, de christenen, hun overleven veiligstellen en van hun Heer getuigen. Daarmee trad het bijzondere van het christen-zijn in de communistische tijd aan de dag. Jan Sokol geeft een realistische beschrijving van de pressie en de problemen van de christenen.
Welke alternatieven hebben zich eigenlijk aangediend? De twee uiterste posities waren: enerzijds zich identificeren met het systeem en er hand- en spandiensten aan bewijzen, anderzijds zich terugtrekken uit de wereld.
Bij de eerste optie denkt men gewoonlijk aan de vredespriesters; voor leken ging eenzelfde houding immers gepaard met uittreden uit de kerk en verlies van het geloof. Voor priesters kunnen er drie gronden zijn geweest om zich met het systeem te identificeren. De kleinste groep heeft zich ten eigen nutte ter beschikking gesteld. Ook waren er maar enkelen die verblind genoeg waren om het reëel bestaande socialisme onder de gegeven omstandigheden te beschouwen als de best mogelijke samenlevingsvorm. Deze daders uit overtuiging werden dienovereenkomstig door de staat met allerlei voordelen en gunsten beloond, ook en niet in de laatste plaats ten behoeve van hun kerk. Sokol rekent de bekende gereformeerde theoloog Josef Hromadka in de periode vóór 1968 tot deze categorie. Vermoedelijk hoorde de Hongaarse primaat van de jaren zeventig en tachtig kardinaal Lékal tot dezelfde groep. De meest voorkomende grond voor dit vredespriesterschap lag evenwel in het feit dat velen door martelingen en gevangenisstraf gebroken waren, of door chantage vanwege verborgen misstappen op de knieën gedwongen konden worden. Deze laatste groep leed levenslang onder haar eigen zwakheid.
De tegenpool, zich terugtrekken uit de wereld, kon het resultaat zijn van een nuchtere beoordeling van de situatie. Menigeen was de mening toegedaan dat de kerk in het communisme alleen maar ondergronds kon overwinteren. Vaker echter verliep het anders. Mannen en vrouwen kwamen in het normale leven op voor hun christen-zijn, en zetten zich in voor het doorgeven ervan, en werden dan door de politie voor criminelen aangezien. Eenmaal in het vizier werden zij in hun legale mogelijkheden tot het uiterste beperkt. Dan bleef vaak alleen de weg ondergronds nog open. Verslagen daarvan uit twee landen vinden we bij Oto Mádr.
Sommige groepen konden tot en met hun laatste lid door de organen van de staat worden geobserveerd, met als gevolg dat zij voortdurend onder vuur lagen, en niets meer te verliezen hadden. Zij probeerden hun vervolging door openlijke oproepen te beperken. Door westelijke waarnemers die de verhoudingen totaal niet konden doorzien, werden dergelijke exemplarische getuigen bij gelegenheid als de enige ware belijders geïdealiseerd. Het gevaar van sektarisch gedrag werd daarbij gemakkelijk vergeten. Mádr spreekt over profetisch bewustzijn, maar ook van zich zonderling gedragen. Daarbij kwam nog het feit dat men zich van de normen van de theologie en het kerkelijk recht niets aantrok, en in het besproken Hongaarse geval een niet van onderaf gekozen leiding in de kerk principieel afwees. Ook een elite-bewustzijn kon verdeling zaaien, dat iedereen voor een slappeling hield die de confrontatie met de politiek uit de weg kon gaan. De Hongaarse P. Bulányi en zijn beweging hebben zich daarmee niet alleen van de bisschoppen, maar ook van de meerderheid van de andere christen en bewegingen vervreemd. Tenslotte heeft de neiging tot fundamentalisme de genoemde groepen politiek voorspelbaar gemaakt De staat kon de broedertwist benutten om te manipuleren.
Het Oost-Europese dagelijks leven van christenen daarentegen speelde zich af tussen deze beide extreme posities in. Het bestond in het zoeken naar te verantwoorden compromissen, in het balanceren tussen christelijk getuigenis en deelname aan het leven van een communistische staat. Hoe geëxponeerder de functie was die iemand bekleedde, des te delicater werden de mogelijkheden om de proef te doorstaan. De kansen lagen van land tot land verschillend. De voorwaarden lagen anders waar de kerk machtig bleef, en het gehele volk achter zich wist (zoals in Polen), anders waar zij alleen vanuit de illegaliteit sympathie kon winnen (zoals in Tsjechië), en nog weer anders waar een relatief breed terrein voor kerkelijke activiteit openbleef, maar de bisschoppen door de staat gekozen werden, en de priesters onder minutieuze controle van staatswege hun werk moesten doen (zoals in Hongarije). Onder die gegeven coördinaten moest men de grens bepalen van waaraf men nee moest zeggen, zelfs wanneer daardoor het eigen bestaan geruïneerd of de pastorale zorg voor duizenden mensen onderbroken werd. Het zou echter onverantwoord zijn geweest de strijd niet aan te gaan alleen omdat men het communisme fundamenteel afwees. Relatief eenvoudig was het kruis van de situatie en het twijfelen aan compromissen te ontlopen door zich eenvoudigweg te onderwerpen of zich in het getto van de onverzoenlijkheid op te sluiten. De grote meerderheid van de gelovigen speelde het klaar zich als christenen op de been te houden. Het spreekt vanzelf dat men ook dan kon struikelen. Bereid zijn de strijd aan te gaan was echter meer verantwoord dan de vlucht in de ene of de andere grenssituatie.
De politieke Wende (1989/1990) betekende een fundamentele schok. Het leven kwam op volledig nieuwe wegen. De betekenis van het onmiddellijke verleden voor de toekomst werd even twijfelachtig als de saamhorigheid van de landen van het vroegere Oostblok. Plannen voor deze dag X waren er niet. De tijd vroeg allereerst om improvisatie; die kan reflectie echter niet vervangen. Daardoor is de zoektocht naar de voor het verleden bepalende kracht nog maar net begonnen. András Máté-Tóth denkt na over een onvervalste Oost-Europese theologie. Deze theologie is grotendeels nog toekomstmuziek. Maar ze is onontbeerlijk wanneer de landen in deze regio hun specifieke ervaringen niet onbenut willen laten.
Een belangrijke karakteristiek van heel wat voormalig communistische landen (hiertoe behoren vooral de voormalige DDR (dat wil zeggen: de nieuwe deelstaten van Duitsland) en Tsjechië) is de ruime verbreiding van het atheïsme. Het is eigenlijk geen postchristelijke, maar een door het christendom onberoerde situatie. Niet weinig landen speelden het klaar tussen het gelovige en het ongelovige deel van de bevolking een reële barrière op te richten. De moeizame maatschappelijke communicatie en de verbanning van de godsdienst uit de openbaarheid droegen ertoe bij deze grenzen ondoordringbaar te maken. Nu ontmoeten de partijen elkaar; het feit dat er openbaarheid zonder belemmeringen mogelijk is, zorgt voor verrassingen. Maar het atheïsme is zeker geen communistische, en ook geen Oost-Europese eigenaardigheid. Zo is het bij de wijziging van de politieke verhoudingen geenszins automatisch veranderd. Integendeel, de vereniging van Europa leidt tot nieuwe legeringen. Albert Franz analyseert de uitdagingen die daaruit voor theologie en kerk voortvloeien, en die verder reiken dan Oost-Europa.
De omwenteling heeft vrijheid, en daarmee een nieuwe verantwoordelijkheid voor het handelen gebracht. Evenals tijdens het communisme zijn ook nu de verschillen tussen de landen nog steeds immens. Enkele landen moeten helemaal van onderaf beginnen. Een voorbeeld daarvan is Tsjechië, zoals het artikel van kardinaal Vlk, president van de Raad van de Europese bisschoppenconferenties (CCEE) laat zien. Op een andere plaats brengt hij de Tsjechische situatie als volgt in beeld. Er zijn in een dekenaat van het aartsbisdom Praag met 26 parochies uit de voorcommunistische tijd slechts vijf priesters. Daar leven verspreid 8780 gelovigen, van wie 492 praktiserend. Dat is weliswaar een extreem voorbeeld, maar toch typerend. Dat betekent dat een parochie gemiddeld ongeveer driehonderd gelovigen telt, van wie er twintig praktiseren2. Dat is een ondubbelzinnige missiesituatie.
Een ander probleemgebied is de ongebroken en sterk christelijke traditie, die nu op de moderne tijd stuit. De moderniseringsschok is voor verscheidene auteurs een sleutelbegrip. Moeten wij een machteloze aanpassing verwachten? Of kan de algemene, levende traditionele vroomheid een tegenwicht bieden aan de secularisatie. Janusz Marianski is, wat Polen betreft, optimistisch. Soortgelijke overwegingen zijn echter ook relevant voor Slowakijë, Kroatië en Roemenië. Eigenlijk gaat het om de vraag hoe hoog het volgen van de eigen wetten van de sociaal-culturele omwenteling aangeslagen moet worden. Kunnen die overtroefd worden? Elk land moet zijn eigen antwoord vinden. De overschatting van de bepalende kracht van de sociaal-economische druk zou in ieder geval even verwoestend kunnen werken als de overschatting van de eigen vermogens.
Algemeen geldt daarentegen dat de christenen in Oost-Europa zich in een relatief nadelige sociale situatie bevinden. Ook al mag dan nu hun numerieke zwakheid of een vertraging in de ontwikkeling de reden daarvan zijn, in ieder geval kunnen de christenen en kerken van Oost-Europa (afgezien misschien van Polen) zich niet verlaten op hun maatschappelijk betekenis. Welke opties blijven er dan nog open? Daarover schrijft Miklós Tomka. Allereerst noodzakelijk is in ieder geval een reële waarneming van de situatie en het afzweren van elke nostalgie.
De achtergrond waartegen het nieuwe leven begint, werd door het communisme geënsceneerd. Het verleden kan niet ongedaan worden gemaakt; het leeft niet op de laatste plaats in de elite en in de manier van denken van de niet-christenen verder. Ter discussie staat hier niet de vraag wie in welke mate gelijk heeft. Het is voldoende vast te stellen dat in de nieuwe democratie verschillende mensen met uiteenlopende visies naast elkaar leven Maar een democratische instelling, subsidiariteit en een pluralistische burgermaatschappij worden geenszins algemeen aanvaard. Er zijn belangenconflicten. De erkenning van de rechten van de kerk en de restitutie van haar vroegere bezittingen kunnen juridisch goed gefundeerd en absoluut noodzakelijk zijn. Desalniettemin kunnen zij spanningen oproepen, en een hinderpaal vormen voor het vervullen van de zending van de kerk. Het is niet eenvoudig uit te maken waar de kerk moet vasthouden aan haar rechten, en waar zij omwille van haar zending afstand moet doen van legitieme eisen3. Marko Kerevan toont een perspectief waarin de niet-christen zowel de postcommunistische positiewijziging van de kerk als haar handelwijze kan zien. Geen enkele Oost-Europese kerk die niet serieus kennis heeft genomen van dergelijke meningen, kan beantwoorden aan haar opdracht. Een dialoog met de niet-gelovigen en misschien zelfs met het kerkvijandelijke deel van de gemeenschap behoort tot de meest directe opgaven van de kerken.
Er zijn ook concrete problemen die in Oost-Europa snel moeten worden opgelost. Het communisme heeft de mogelijkheden tot een godsdienstige opvoeding zwaar beperkt, en in alle openbare instellingen een materialistische indoctrinatie in praktijk gebracht. Socialisten en liberalen noemen vandaag diezelfde instellingen en leerstof wereldbeschouwelijk neutraal, en hebben geen begrip voor het verlangen van de christenen naar een eigen opvoeding. Er bestaat geen algemeen recept voor de vraag of de christenen in de openbare instellingen moeten opkomen voor hun overtuiging, of dat de kerk ter versterking van de christelijke identiteit van de gelovigen eigen vormingsinstituten nodig heeft. Het antwoord hangt af van zowel de kracht van de religiositeit in het land op dat ogenblik als van de mate waarin de publieke sfeer als godsdienstvijandig kan worden gedefinieerd. Stanko Gerjolj formuleert zijn overwegingen vanuit een Sloveense zienswijze, dus vanuit de zienswijze van een dominant katholiek, maar ook massief geseculariseerd land, waarin de geloofsvervolging gematigder verliep dan in de meeste andere voorheen communistische landen.
Ook in het priesterprobleem manifesteert zich in Oost-Europa een grote verscheidenheid. Vinko Potocnik geeft een overzicht. Met uitzondering van Polen heeft het communisme overal ook de opleiding van priesters belemmerd. Sinds de omwenteling valt er een opleving in roepingen waar te nemen (en weer vormt Polen, maar nu in omgekeerde richting, een uitzondering). De aantallen en de maatschappelijke verwachtingen geven reden tot optimisme. De priesters in Oost-Europa worden intussen geconfronteerd met vraagstukken waarop ze nauwelijks zijn voorbereid. Zij moeten de grondslag leggen voor een nieuwe manier van kerk-zijn. Zij moeten een bijdrage leveren aan zowel de ontwikkeling van actieve en mondige leken als de rol en het getuigenis van de kerk in het openbare leven.
Over het algemeen is de betrekking tot de profane wereld een gebied dat de kerk moeilijkheden oplevert. In de praxis van de voorcommunistische vervlechting van de staat en de in die tijd machtige kerk kunnen evenmin nuttige aanknopingspunten worden gezocht als in de getto-situatie of in het ondergrondse bestaan van de voorbije decennia. De bijdrage van Lászió Lukács kan ons helpen het toneel van de kerkelijke media te overzien; hij schetst ons het opmerkelijke herstel van deze sector. De moeilijkheden liggen duidelijk minder op technisch en organisatorisch gebied, en meer in de angst voor de wereld en in het onderontwikkelde vermogen tot communicatie. Het overwinnen daarvan behoort tot de belangrijkste opgaven van de Oost-Europese kerken.
Tot slot, maar niet op de laatste plaats, moeten we niet vergeten dat Oost-Europa een deel van Europa is, en de kerken van deze landen deel uitmaken van de wereldkerk. Dat zijn historische en geografische werkelijkheden. Het communisme heeft echter diepe kloven doen ontstaan. Jonathan Luxmoore brengt in beeld hoe het bouwen van bruggen met Poolse plaatselijke kennis en met westerse ogen moet worden gezien. Reeds Potocnik heeft erop gewezen dat de helft van de christenen van Europa in Oost-Europa leeft. Zo ontstaan met de val van de muur ook in de kerk nieuwe verhoudingen. Hiervan nota nemen is voor het Oosten even belangrijk als voor het Westen.
Een bruggenbouwersbedrijf is het Pastoraal Forum in Wenen. Het probeert de onafhankelijkheid en handelingsbekwaamheid van de christenen en de kerken in Midden- en Oost-Europa te bevorderen. Paul M. Zulehner schetst de prioriteiten, en ordent deze inspanningen in een pastoraal-theologisch kader. Daaronder vallen bijscholing en het verwerven van fundamentele informatie. In de voorbije vier à vijf jaar is in het project Aufbruch/New Departures haast gemaakt met het analyseren van de situatie in tien landen. In elk van deze landen werden studiegroepen opgericht. Deze bestaan niet slechts uit maatschappijwetenschappers, maar ook uit geestelijken en leken die het doorwerken van de verworven inzichten in de kerk moeten garanderen. Ook deze aflevering van Concilium kan men als een vrucht van deze jarenlange onderneming zien4. De eigenlijke vruchten moeten evenwel ter plekke rijpen. We kunnen slechts hopen dat het aantal bruggenbouwers toeneemt, en dat de kerken ten slotte de moed opbrengen om over de brug te komen.
Uit het Duits vertaald door D. Timmermann
Noten
1 Milovan Djilas, The new class, Praeger, New York 1957 (Die neue Klasse, Kindler, München 1964); Michael S. Voslesensky, Nomenklatura, Molden, Wenen/München/Zürich/Innsbruck 1980.
2 Miloslav kardinaal Vlk, Kirche in Osteuropa: herrschen oder dienen?, in: Wolfgang Grycz (redactie), Kirche in Ost-Europa: herrschen oder dienen? 1. Internationaler Kongress Renovabis 1997, Freising zonder jaartal, 46-60, hier: 53.
3 Zie die Pastorale constitutie van het Tweede Vaticaans concilie Over de kerk in de wereld van onze tijd (Gaudium et spes), 76, over de verhouding tussen de politieke gemeenschap en de kerk.
4 Het tijdschrift Concilium bedankt vooral collega Zulehner voor de tijd en het werk die hij aan het concipiëren en de uitvoering van deze aflevering heeft besteed.
terug naar Concilium / Nederlands of Concilium Hauptseite