Concilium 2000 / 2
Identiteit: biografisch, moreel en religieus
Inleiding
Dietmar Mieth, Hermann Häring en Maureen Junker-Kenny
In dit nummer van Concilium trachten wij de interdisciplinaire, op een specifiek onderwerp betrokken arbeid te documenteren waardoor het nieuwe gezicht van dit theologisch tijdschrift wordt bepaald. Onder de samenstellers en de bijdragen is een aantal theologische vakgebieden vertegenwoordigd waarin het onderwerp 'identiteit' belangrijk is geworden in het licht van de volgende overwegingen.
De kwestie van een goed leven dat over zichzelf beslist, staat centraal binnen de horizon van de individualisering. Dit beslissen over zichzelf gebeurt tegenwoordig volgens de heersende tendens niet meer van buiten naar binnen dat wil zeggen: door identificatie met religieuze of maatschappelijke instellingen , maar door zich van een eigen identificatie met zichzelf te verzekeren, door zich aan zichzelf te binden in een levensverhaal. De identiteit van het morele en religieuze subject komt dus op narratieve wijze tot stand.
Daarbij wordt zo mogelijk gezocht naar een oorspronkelijke of 'authentieke' levensvorm. Dit probleem is in filosofische theorieën over het individuele 'goede leven' (totum bene vivere, eu zan) gereconstrueerd, maar ook onder kritiek gesteld. Het is ook aan te treffen in de esthetische litteratuur. Daarin worden eveneens de grenzen van de identiteit, de belemmeringen om tot identiteitsvorming te komen of de gespleten identiteit tot onderwerp gemaakt. Daarbij hoort ook de culturele gevarieerdheid in het aanvaarden of bestrijden van het identiteitsparadigma, respectievelijk in de weergave daarvan. Aan de individualistische toespitsing beantwoordt een blijvende greep van het collectieve. Bovendien hebben alle symbolen voor een geslaagd levensverhaal een betekenis die boven het individu uitgaat. Het theologische gesprek is al lange tijd geboeid door deze problematiek van de tegelijkertijd opgeëiste, toegewezen en fragiel blijvende identiteit. Op de vraag naar de religieuze identiteit hier vanuit het perspectief van de vraag naar de mogelijkheid van een morele identiteit gesteld zijn antwoorden gegeven met een telkens ander accent: de dominantie van het anders-zijn ('het gelaat van de ander' E. Levinas, E. Dussel), de zelfreflectie, het relationele en het transcendente van het subject. Deze verschillende interpretaties vormen tegelijkertijd een kritiek op het theorema van de identiteit. Dit probleem wordt nog verergerd door de onmenselijkheid waarmee hele groepen mensen een identiteit wordt onthouden, of die daarvan worden beroofd of vervreemd.
De oudste schriftelijke getuigenissen van het christendom laten zien dat de betekenis van de persoon van Jezus eerst in belijdenisformules en hymnen, en vervolgens in de litteraire vorm van verhalen over zijn leven en lot werd uitgedrukt. Een overeengekomen inzicht in wat christelijke identiteit was, kwam tot stand door het vormen van narratieve bronnen. In ieder geval is de vraag hoe wij telkens als handelende personen onze identiteit vinden, niet alleen ethisch relevant, maar uiteindelijk ook mede bepaald door de vraag naar de eigen religieuze identiteit. 'Identiteit: biografisch, moreel en religieus' is een poging om maatschappelijke en godsdienstige ontwikkelingen via filosofische en theologische beschouwingen bloot te leggen en in begrippen onder te brengen.
Het onderwerp is ook sociaal-ethisch en voor het denken over instituten van belang: onder welke omstandigheden kan er eigenlijk terecht sprake zijn van een eigen, individuele benadering?
De maatschappelijke benadering van deze problemen (deel I) begint met een blik op de litteratuur (D. Mieth): het verhaal 'De identiteit' van Milan Kundera. Hier gaat het voornamelijk om kansen en gevaren voor de identiteit in de liefdesverhouding. Het proces van identiteitsvorming in de zogeheten geïndividualiseerde samenleving wordt geanalyseerd door A.W. Musschenga. Hij wijst in het bijzonder op de breuk met gesloten solide identiteiten en op het fragmentarische karakter van de persoonlijke identiteit. Ter aanvulling op de Europees-Amerikaanse debatten onderzoekt Felix Wilfred de vele vormen van identiteitsverlies in de Derde Wereld, het ingrijpen in persoonlijke, maatschappelijke en culturele identiteiten. Het economisch-ethische aspect van de identiteit bij de global players wordt behandeld door A. Kleinfeld, en zij ontdekt daaraan positieve kanten.
In deel II worden twee belangrijke theoretici over de identiteit binnen het filosofisch-ethische denken behandeld: Charles Taylor (Thomas Gil) en Paul Ricoeur (Hille Haker). Daarmee wordt het kritische gesprek over het authenticiteitsmodel, dat identiteit aan individuele oorspronkelijkheid koppelt, en geen oog heeft voor het industrieel fabriceren ervan, evenzeer verhelderd als het gesprek over het individuele atomisme in de liberale contracttheorie, en dat over de verhouding tussen narratieve, biografische en morele identiteit. Identiteit als visionair beeld van het doel van de klassieke deugdenleer wordt behandeld door Jim Keenan. Het huidige gesprek over de grenzen van het filosofische identiteitsmodel, dat in de geschiedenis van de westerse cultuur de ontdekking van de ander verhinderde, wordt door Luiz Carlos Susin over het voetlicht gebracht.
De theologische benadering (deel III) brengt ons via de christelijke identiteitsvorming door middel van het verhaal (A. del Agua) tot de geschiedenis van Jezus, waarin die identiteit haar aanvang en haar fundament vindt (Hermann Häring). Christine Firer Hinze legt de nadruk op de ervaring met het onderscheid, eigen aan de feministische theologie, en op de discussie over macht en marginalisering. Identiteit blijkt hier overwogen solidariteit te zijn. Hans G. Ulrich ten slotte belicht speciaal het procesmoment van het zichzelf worden, waaraan vanuit de oorsprong in het geloof enerzijds een bijzondere kwetsbaarheid, en anderzijds kritische kracht eigen is.
Identiteit heeft in deze bijdragen niet de bijbetekenis van een vermeend toevluchtsoord, maar ze beantwoordt aan een zoeken naar bevestiging onder voortdurende bedreiging en aanvallen door geweld van buitenaf en innerlijke onzekerheid. Zo staat achter elke wetenschappelijke conclusie de blijvende zakelijke vraag naar de eenheid van biografische, morele en religieuze autoriteit. (Uit het Duits vertaald door Ton van der Stap)
terug naar Concilium / Nederlands of Concilium Hauptseite